Op 1 januari, precies om middernacht, hief John zijn glas. 'Ik ga dit jaar alles anders doen!'
'Ge meent het?' lachte Sonja en controleerde of haar glitterjurk haar tepelhof nog verborg.
‘Zeker datte!’ John keek naar Sonja’s tepels, keelzwelkte zijn glas en smeet het in duizend stukken op de vloer. ‘Niet gezonder eten, niet meer sporten, niet minder drinken!’ Hij staarde naar Sonja alsof hij Maria zelve zag. ‘Ik wil slecht zijn,’ zei hij met een stem als Gargamel. ‘Écht slecht.’
De volgende ochtend begon hij met een dubbele Dafalgan, trok zijn kostuum aan en ging op pad met zijn Porsche. Hij stal een parkeerplaats van een moeder met twee huilende kinderen. Dat moedertje keek hem verbaasd aan. Hij haalde zijn schouders op en stapte uit. Zijn hart bonsde. Het voelde geweldig.
In de supermarkt stal hij een fles Heinz. Niemand zag het. Thuis rookte hij een Marlboro – hij haatte roken. Toch voelde het heerlijk om zichzelf te straffen. Bij de buren gooide hij, net toen hun Minou naar buiten liep, vuurwerk in de tuin. Gelukkig miste het beest het vuurwerk. Toch waande John zich een ware schurk.
Zijn dagen vulden zich met kwaadaardigheden: hij drukte op alle liftknoppen, fluisterde spoilers in de bioscoop en gaf expres verkeerde richtingen aan verdwaalde Chinezen. Elke dag werd hij beter in slecht zijn, tot hij zich onoverwinnelijk voelde.
Op 14 februari gebeurde het. Sonja liet haar boodschappentas vallen, en John, volautomatisch, hielp haar alles oprapen. Ze keek hem glimlachend aan en bedankte hem. Het voelde… goed.
'Verdorie,' mompelde John. 'Dat was niet de bedoeling.'
Hij sleurde Sonja bij haar hand, rende naar huis, trok de gordijnen dicht en staarde hijgend naar zijn lege muur. Slecht zijn was moeilijker dan gedacht.
'Misschien moet je toch maar gewoon wat gezonder gaan eten,' zei Sonja.