Knokke stonk. Natte hond, frituurvet, gesmolten chocolade. Collectieve katers in een jas van suiker.
Ik plofte neer op mijn gammele terrasstoel. Kleren nog klam van een overhaaste exit in een wijk waar het gras naar geld rook. Een lauwe Jupiler siste in mijn hand. Alleen, dacht ik.
Tot ik hem zag.
Tussen kranten en een afgetrapte schoen: een bebloed hoopje pluis. Lange oren. Trillende snorharen. De Paashaas. De versie die drie dagen op café had gezeten met een betonmolen.
'Zware nacht gehad, maat?' vroeg ik. Mijn stem klonk als grind in koffie.
Hij piepte. Iets tussen paniek en piepschuim. 'Een… misverstand.'
'Gij ziet eruit alsof ge bij de Hells Angels een gouden ei probeerde pikken. Of erger: aan andermans wortels gezeten.'
Hij rilde toen ik wat Jupiler op z’n gescheurde lip depte. Ik had niks beters.
'Knokke,' hijgde hij. 'Villa. Zwembad. Blondine.'
Ik trok mijn wenkbrauw op. 'Rododendrons?'
Hij knikte. 'Zijden jurkje. Open décolleté. Glas bubbels…'
'En toen?'
'Toen kwam dat monster.' Zijn stem dof. 'Een kolos. Paarse kop. Pitbullachtig. Kop zonder nek; Hij zag me. Greep het eerste dat hij vond.'
Ik wist het al. 'Een flamingo?'
De haas jammerde. 'Roze. Steen. Zwaar. M’n poot…'
Ik keek eerst naar hem. Dan naar de kras op mijn arm.
Die flamingo was voor mij bedoeld. Hij had, zonder het te weten, de klappen opgevangen. Mijn aftocht mogelijk gemaakt.
'Verdomme,' fluisterde ik. Ik gaf hem het blik. 'Drink.'
Hij dronk. Zijn poten rond het blik als een junk om z’n laatste shot.
'Volgende keer slaat ge terug,' zei ik.
Hij glimlachte. Scheef. Niet dankbaar. Meer… wetend.
En terwijl hij over de haag verdween, hoorde ik hem nog zachtjes zeggen: 'Ze liet het raam open.'
Tja, dacht ik, ze zit op haar eieren.