Oké, luister. Kutplekken, die Balanshuizen. Stinken altijd. Naar Javel, ja. En pis. En de muffe adem van mensen die wachten om te verdampen. En dat gore, pisgele linoleum, overal. Alsof ze hopen dat je uitglijdt op de vlekken van je eigen gebrek aan gewicht.
Ik sta erop. IJzer. Koud als een lijk onder mijn blote voeten. Tegenover me, achter een loket van bekrast formica, zit een vrouw. Dood haar, ja. En een vlek op haar kraag, mosterd of zoiets. Ze kijkt naar een schermpje alsof haar eigen magere leven ervan afhangt. Ze kijkt niet naar mij.
'Tweeënveertig kilo, honderdvijftig gram,' zegt ze. Haar stem raspt, droog als oud brood. 'Te licht. Onder de vijfenveertig: pif-poef.' Ze maakt een vaag gebaar met haar hand. Ik weet het — Sonja en ik doen niks meer, behalve elkaars lichaam uit gewoonte gebruiken en hopen dat herinnering opwinding kan vervangen. 'Je hebt nog een week.'
Dan stapt zij op de weegschaal naast me. Slank, Aziatisch. Rechte rug in een beige trenchcoat die zachtjes ruist. Jasmijn en zweet, een hint van iets warms, dierlijks. Haar huid heeft een glans. Haar donkere ogen vangen het TL-licht. Een steek gaat door me heen. Niet van pijn. Van iets anders. Iets wat ik wil, maar niet durf benoemen.
'Tan Mei Li,' zegt de vrouw achter het loket, nog steeds naar haar scherm turend. 'Negenennegentig kilo. Zes nieuwe. Prima.'
Mijn vingers. Ze bewegen vanzelf. Ze vinden haar pols, net waar de mouw van de trenchcoat ophoudt. Warm. Levend. Pulserend.
Flits.
Geylang. Pikdonker, alleen het rode schijnsel van buiten. Lakens, vochtig van de hitte. Huid op huid. Wierook mengt zich met de geur van seks. Haar lijf – mijn lijf nu – beweegt ritmisch. Een gekreun ontsnapt. Smaak van lauwe whisky, zout zweet. Geilheid, zwaar en urgent. Maar eronder, diep, een harde kern van pijn, ingeslikt, omgezet in een vreemde, stugge kracht.
Ik hap naar lucht. De kamer stinkt weer naar Javel. Tan Mei Li kijkt me aan. Haar ogen. Geen verrassing, geen woede. Alleen… zien. Weten.
Ik stap terug op dat koude kreng.
De vrouw kijkt nu wel op. Een wenkbrauw trekt ze op. 'Vijfenveertig kilo, vierhonderd gram. Nou, nou, meneer Coppo. Plots iets zwaars herinnerd?'
'Een goeie,' zeg ik. Mijn stem klinkt anders. Dieper.
Thuis. Sonja op de bank. Dezelfde bank, dezelfde warme blik. Vertrouwd. Te vertrouwd.
Ik ben niet meer alleen hierbinnen. Tan Mei Li is er ook. En Geylang.
Ik buk me naar Sonja, mijn lippen vlak bij haar oor.
'Pak je paspoort,' fluister ik. 'We moeten naar Singapore. Nu.'